donderdag 2 januari 2025

 Met de soldaat op Campagne 3  De Soldaat van Brittanje


In werkelijkheid was Orsborne in het begin van de oorlog motorordonnans in Londen en pas vanaf september 1942 (dus ná de raid op St. Nazaire)  op het eiland Wight  actief als instructeur bij HMS Manatee, een landingsvaartuigbasis waar hij, als lieutenant skipper van de National Reserve Navy,  marinepersoneel  de basisvaardigheden aanleerde van het omgaan met kleine landingsboten. Een functie, meest bekleed door gepensioneerde vissers.


Zaken als touwknopen (hij schreef er zelfs een instructieboekje over),  sturen en heen en weer varen.
Een volledige commando-opleiding werd op Wight niet gegeven en daar dus niet door hem gevolgd, zoals hij beweerde.

Volgens zijn boek was hij tijdens D-Day  beachmaster geweest en met de  37th Marine Commando Group  bij Arromanches geland met veel heldendaden als gevolg.
Een eenheid die later onder zijn bevel  in Birma vocht. Hij wel.
In werkelijkheid landde het 47th Royal Marine Commando bij Arromanches en trok van daaruit op naar Duitsland, waar het in 1946 ontbonden werd.

https://www.dday-overlord.com/en/d-day/beaches/gold-beach

The members of commando number 47 land under heavy fire to the east of the locality of Arromanches.

Orsborne werd in januari 1945 overgeplaatst naar  de Royal Navy Landing Craft Signals and Navigation Training Establishment HMS BRAGANZA III in Bombay, India, waar hij, gezien de naam,  hoogstwaarschijnlijk eenzelfde functie vervulde als instructeur landingsvaartuigen.        
Volgens zijn boek bestreed  hij als commando de Japanners een heel eind verderop in Birma, waarbij hij gevangen werd en daarna uiteraard ontsnapte uit het kamp via het riool, waarbij hij gewond raakte aan beide armen door mitrailleurvuur.
Hij beweerde tijdens zijn jarenlange avonturen sowieso wereldwijd in smerige cachots opgesloten te hebben gezeten, waaruit hij steeds wist te ontsnappen met bruut geweld, of zoals dat hoort, met hulp van plaatselijke schonen.
Volgens de Finse journalist Risto Rasilainen, die ook onderzoek naar hem deed, wees zijn medisch rapport uit dat hij inderdaad gewond was geraakt in India (dat was ook alles wat hij over hem vond).
Maar van acties in Birma als commando is niets te vinden.
Op een foto in Life uit 1948 zou hij te zien zijn als commando, tijdens de ondervraging van een Japanse krijgsgevangene. Maar hij draagt daar een marinepet en de ‘gevangene’ een Britse commandobaret.
Beiden tot de enkels in het water naast een schip, omringd door spelende kinderen: een merkwaardige setting bij een ondervraging. Overigens zou hij bij het vergaan van de Lucky Lady
al zijn foto’s zijn verloren.


Na zijn redding in 1947 en aankomst in New York  trok hij met een succesvolle lezingentoer door Amerika, gekleed in een marine-officiersuniform (handgemaakt, met klokpijpen) en diste daar zijn heldenverhalen op, terwijl in de Britse  pers artikelen verschenen onder koppen als ‘De man die Amerika voor de gek houdt’.
Ondanks zijn bewering dat hij na zijn huwelijk zijn vrouw jaren niet gezien had door zijn wereldwijde avonturen, trof een journalist haar aan in Grimsby, omringd door acht kinderen, die toch in die periode verwekt moesten zijn.

Sunday Pictorial February 13, 1949


The skipper who stole Grimsby boat Girl Pat and took it on an adventure - Grimsby Live (grimsbytelegraph.co.uk)

Het was met deze fantast dat Hazelhoff zijn zwendel opzette.
Zijn artikel verscheen niet ‘de volgende maand’, dus september,  in Argosy, maar pas in februari 1951.
Hierin stond voor het eerst zijn verhaal hoe hij Orsborne in de oorlog had leren kennen na hun  raids in
vijandelijk gebied. Beiden wisten dus dat dit gelogen was. 
Ook stond er een afbeelding in van de route via het Panama-kanaal van de ‘wetenschappelijke expeditie’, die ook langs de Molukken voerde. Het was dit omslag met 'February'  dat me aan het denken zette, omdat het niet kon passen in Hazelhoffs verhaal.






In zijn uiteindelijke autobiografie Het leven van de soldaat van Oranje zegt hij trouwens Orsborne voor het eerst tijdens een diner bij een vrouwelijke kennis, die vond dat ze moesten kennismaken,  te hebben ontmoet in Amerika in 1950.
Ook noemt hij daarin hun methodes van fondswerving rond de Argosy ‘twijfelachtig’, wat zwak uitgedrukt is.
 En schuift dit in de schoenen van Orsborne.

Het schip was in geen geval reisvaardig in september 1950 zoals hij beweerde: na het artikel in februari 1951 stroomden inderdaad nog meer vrijwilligers toe en was er nog werk genoeg.
De Amerikaanse countryzanger Ramblin' Jack Elliott herkende op een foto zijn medemuzikant, het bemanningslid Eric von Schmidt, bracht hem een bezoek en bleef de hele maand als vrijwilliger.
Hij omschreef de sfeer als gezellig, met avonden vol gesponsorde whisky en zang.
En met Dod Orsborne als kleurrijke verhalenverteller.


Die nodigde hem uit bemanningslid te worden, maar hij kon de verplichte 2000 dollar niet opbrengen.
Rond die tijd vond de eerste (of mogelijk tweede, als in september inderdaad een bemanning klaarstond) bemanningswissel  plaats.
Eric von Schmidt (die Bob Dylan nog beïnvloedde) stond niet op de lijst van de uiteindelijke bemanning en verviel in een interview in 1996 met Elijah Wald in een wrange tirade tegen Orsborne toen hij aan de episode herinnerd werd.
Een ander bemanningslid, Dave Gale, beschreef in zijn memoires Below another sky: a Bahama memoir(2011) 
zijn ervaringen.
Hij was na kerst 1950 aangeworven (dus nadat het schip volgens Hazelhoff vertrokken was) bij de eerste of tweede bemanningswissel en betaalde 2500  dollar voor "de duurste trip rond New York uit mijn leven".
Hij omschreef Hazelhoff als de voormalige eerste stuurman, maar nog steeds actief aan boord. Orsborne was volgens hem een oplichter die met zijn charme en praatjes iedereen geld uit de zak klopte en meestal bezig was de pers te woord te staan, of dagen in zijn hut doorbracht met gesponsorde whisky en een van de vrouwen die - volgens hem letterlijk - in de rij stonden.
Hij was zelf kabelsplitter en bezag met afschuw Dods bezigheden op nautisch gebied. Het schip was volgens hem absoluut niet zeewaardig en onnavigeerbaar: er was een kompas en dat was alles. Hij verloor het vertrouwen in de reis en Dod en bij het echte vertrek ging hij bij de laatste wissel dan ook van boord, zijn inleg verspelend. 
         Hazelhoff was dus nog steeds betrokken bij het project, ondanks zijn bewering in Het leven van de soldaat van Oranje dat de Argosy  november 1950 was uitgevaren (“dat weet ik zeker, want het stond in de New York Times”).
Documentairemaker Erasmus vond een brief van Hazelhoff aan zijn opdrachtgever Door de Eeuwen Trouw, gedateerd 9 januari 1951, waarin hij zei een ruzie tussen de bemanning en Orsborne gesust te hebben en te verwachten dat de Argosy voor eind januari zou uitvaren.

Orsborne gaf zijn lezing van de gebeurtenissen in een paar latere boeken (Danger is my destiny, 1955  en Adventurer in chains, 1957 ) en beweerde dat de bemanning in zijn geheel onverwacht opgeroepen werd voor militaire dienst. Dat zou dan ook gelden voor het enig vrouwelijk bemanningslid dat toen op de lijst voorkwam, Phoebe Grant, volgens Hazelhoff door Dod ontslagen omdat ze de giek beige had geverfd.
En, volgens hem in het Argosy-artikel, het enige betalende lid. Vier bemanningsleden werden inderdaad opgeroepen voor Korea en daarom vervangen.

Argosy February 1951
(wordt vervolgd)




woensdag 1 januari 2025

 

Met de Soldaat op campagne 2 De Argosyzwendel.

Hazelhoff bracht de tijdlijn van de gebeurtenissen in 1951 rond het schip een jaar terug, zodat naspeuringen in het pre-internettijdperk niets op zouden leveren.
Hij woonde met zijn vrouw in 1950 in New York en probeerde een leven op te bouwen als schrijver en filmster, toen hij door admiraal Helfrich namens DDET benaderd werd om zijn steun aan Ambon te geven.
Zo kwam hij in contact met de RMS-vertegenwoordiger in Amerika, Karel Vigeleyn Nikijjuluw, een voormalige  marine-officier.
Volgens zijn boeken en tijdschriftartikelen deed hij vergeefse pogingen diplomatieke en politieke steun te krijgen tot hij op een party een oude kennis uit de oorlog ontmoette, ‘de befaamde blokkadebreker captain Dod Orsborne’ die hij voor zijn plannen inschakelde. 
Hij kocht  in augustus 1950 voor 10.000 dollar (van DDET, al noemt hij ook andere bronnen in zijn verschillende boeken, waaronder oud-premier Gerbrandy ) het wrakkige casco van de oude Belgische schoener ‘L ‘Insoumise’ en ze knapten dat op om daarmee een lading wapens naar de Molukken te varen met Orsborne als kapitein.
Als dekmantel werd gezegd dat het ging om een wetenschappelijke expeditie in de voetsporen van Vasco da Gama, later Charles Darwin.
Het mannenblad Argosy werd benaderd en dat betaalde 5000 dollar voor de restauratie in ruil voor het exclusieve reisverslag van Hazelhoff en de naamsverandering van het schip in ‘Argosy’.
Het blad publiceerde volgens Hazelhoff ‘de maand daarop’, dus september,  een artikel hierover van zijn hand, waarop de vrijwilligers toestroomden, die het schip eind september reisklaar hadden, met  bemanning .  
Toen Hazelhoff dit Nikijjuluw meldde bleek drie dagen daarvoor (28 september) het Indonesische leger op Ambon te zijn geland en vertrok Hazelhoff spoorslags naar Oost-Azië voor zijn avonturen met het vliegtuigje.
Na Orsborne opdracht te hebben gegeven onmiddellijk uit te varen.
Hij benoemde hem tot kapitein en droeg het schip ‘en de lading’ vol vertrouwen aan hem over (contractueel volgens zijn Nederlandse vertaling, mondeling volgens zijn Engelse versie), immers hielden vrijbuiters zich altijd aan hun woord, daar dat in illegale kringen heilig was en verbreking bruut gestraft werd, zelfs met de dood en Dod zich als oude rot in die kringen zeker aan zijn woord zou houden.
Toen hij eind december in New York terugkeerde van zijn Aziatische avontuur was hij alles rond het schip vergeten volgens zijn boeken: het laatste was dat hij in de krant las dat het, na meerdere vertragingen, in de winter uitgevaren was.
Hij hoorde er daarna niets meer van, dacht  er jaren niet meer aan, tot hij achttien jaar later,in 1968, naspeuringen deed en ontdekte dat het in de lente van 1951 in Trinidad in beslag genomen was wegens wapensmokkel en de kapitein overleden.‘Ouwe Dod moest wel genoeg wapens aan boord hebben gehad om heel Indonesië te veroveren”. 
De waarheid ligt wel iets anders.

De truc was  dat de bemanningsleden per persoon 2000 dollar moesten betalen om mee te mogen op deze ‘wetenschappelijke expeditie’ rond de wereld en meerdere malen van bemanning gewisseld werd, wat een aardig kapitaal opleverde.
Het opknappen van het schip (nieuwe hoofdmast, dieselmotor, tuigage,  kompas en voorraden) werd betaald door sponsors en niet Hazelhoff was eigenaar van het schip,  maar het bemanningslid M.C. Nulty, die ook als woordvoerder optrad en hem ook opvolgde als stuurman, maar voor het vertrek verdween. Hij werd als eigenaar al snel vervangen door de ‘Orsborne Argosy Expedition Inc.’ met in het bestuur vooraanstaande figuren als K.S. Pitzer, director of the Research Atomic Energy Commission als executive secretary en Henry S. Evans, Museum of Comperative Zoology, Harvard als executive secretary. 
 Wetenschappers zouden onderweg onderzoeken doen met medewerking van meerdere universiteiten.
Hazelhoff had de dekmantel degelijk opgezet.






Zijn kompaan ‘Dod’ Orsborne, de ‘befaamde blokkadebreker’ was in werkelijkheid de Schotse fantast en oplichter George Black Orsborne uit Grimsby (1903-1957).
Een wat men noemt kleurrijke figuur en destijds in Amerika net zo beroemd als de Soldaat van Oranje later hier.

Hazelhoff introduceert hem in zijn geschriften als 'de befaamde blokkadebreker Dod Orsborne', die tijdens de Spaanse burgeroorlog actief was met een aantal andere blokkadebrekers en met zijn schip de Girl Pat aardappelen en voedsel leverde aan de Spaanse bevolking.
De beroemdste twee waren volgens hem Dod Orsborne en een zekere Potato Pete, die dit met zijn leven moest bekopen.
Er waren dergelijke blokkadebrekers, uit Wales.
En een van hen, David Jones, had de bijnaam Potato Jones, maar die overleefde het en was degene die de laatste Spaanse Republikeinse vluchtelingen na de nederlaag naar St. Nazaire bracht.
Bij de evacuatie van geallieerde troepen bij Duinkerken was hij ook actief.
       David ‘Potato’ Jones, schipper van de Marie Llewynn.


Potato Pete was een  Britse propaganda-cartoonfiguur dat de bevolking tot  zuinig omgaan met het spaarzame voedsel aanspoorde
Orsborne zelf had zich in zijn fantasieverhalen ook nooit zo’n blokkadebreker genoemd.


In 1936 had deze ‘Dod’ Orsborne wereldfaam verworven door er als schipper van de Girl Pat, een klein vissersvaartuig, vanuit Grimsby op een routinevistocht  in de Noordzee, met het schip vandoor te gaan en een tijdje spoorloos te verdwijnen.
Waarschijnlijk met de bedoeling  de trawler in een ver land te verkopen.
De eigenaren dachten dat het vergaan was tot het in het Spaanse Corcubión opdook en voorraden insloeg op hun rekening.
Gealarmeerd ging de marine er achter aan en toen het opdook bij Dakar werd het gevolgd door zowel de marine als de internationale pers, tot de bemanning bij British Guyana opgepakt werd en als helden ontvangen door het publiek, dat smulde van dit avontuur.
           Dod probeerde zich eruit te praten met de bewering dat hij het schip in opdracht van de rederij voor het verzekeringsgeld moest laten zinken, maar dat werd snel ontkracht en hij werd veroordeeld tot 18 maanden dwangarbeid. Hij verkocht zijn verhaal voor £ 4000 aan een krant.
Later beweerde hij toen in opdracht van de Geheime Dienst sabotage-acties te hebben uitgevoerd tegen Franco in de Spaanse burgeroorlog benevens aanslagen op Italiaanse bases in de Middellandse zee.
 
In 1947 voer hij uit met de Lovely Lady, een piepklein zeiljacht, om een solo-reis te maken naar Amerika, bleef weken rondhangen in havenkroegen in Spanje en werd in het stormseizoen voor de kust van New Foundland uit zijn zinkend wrak gered door Ted Davies,  dekofficier van het Amerikaanse Libertyschip  Jose Bonifacio. Die bevriend met hem raakte en nog een rol zou spelen in het verhaal.

                                       The Cambridge Sentinel, 26 July  1947



Volgens Dod was hij bij de oversteek in drie orkanen  zijn masten kwijtgeraakt en had hij drie weken zonder voedsel, met een verstekeling (een Spaanse groenteboer, volgens hem een gezochte oorlogsmisdadiger) in de Sargassozee rondgedobberd, in metersdikke lagen zeewier en omringd door scheepswrakken die, volgens de toen gangbare legende, daar allemaal heen dreven en samenkwamen. Gigantische blauwzwarte zeeslangen met koppen als cobra’s, opgericht als zwanehalzen, zwommen er rond en ’s nachts klommen reusachtige luizen met duizenden aan boord die hem belaagden.
In Amerika aangekomen hield hij een lezingentoer over zijn avonturen en schreef hij met zijn vaste ghostwriter Joe Mccarthy een serie artikelen voor Life en een boek over zijn leven, Master of the  Girl Pat (1949).

Dit boek was  gevuld met jongensboekenverzinsels over wapen- en rumsmokkel, schat- en smaragdzoeken, oerwoudexpedities, jacht op groot wild en de meest fantastische onzin over zijn heldhaftige daden in de oorlog, waar hij bij elke bekende gebeurtenis aanwezig was geweest als korvetkapitein, commando, saboteur en parachutist.
Zo was hij in Nederland op 13 mei 1940 bij het Zeeuwse Aardenburg gedropt om een spoorlijn op te blazen en een sluis. Hij had bij de nachtelijke landing beide benen gebroken en werd verborgen voor de langsrijdende, oprukkende Duitsers, door een boer. Die hem, na de geallieerde nederlaag, bij Duinkerken aan boord van een schip naar Engeland wist te smokkelen.
Dat er bij het plaatsje geen spoorlijn of sluis te vinden waren, noch oprukkende Duitsers en bij Aardenburg  nog op 24 mei Belgische troepen van de Tweede Cavalerie Divisie terugtrokken en de eerste Duitsers daar pas  29 mei arriveerden, was hem blijkbaar onbekend.



Naar zijn zeggen had hij naast andere trainingen en het bevel over meerdere korvetten een commandotraining ondergaan op het eiland Wight en was hij ondermeer betrokken bij de raid op St. Nazaire. Zo zou hij als gezagvoerder van HMS Lord Darling dit schip met zware schade net op tijd in de haven hebben weten te krijgen, waar het onmiddellijk zonk.
Hij komt niet voor op de lijst gezagvoerders van het schip (geen korvet maar een gevorderde trawler) en spreekt zichzelf tegen in Heroes of the Merchant Navy (1944), waarin hij klaagt dat al zijn verzoeken om een eigen schip afgewezen waren.
Hazelhoff beweerde, na Orsbornes terugkeer van de raid op St. Nazaire, op de rede van Felixstowe kennis met hem te hebben gemaakt, omdat hij daar net zelf terugkeerde van een landing op de Nederlandse kust en hadden ze samen die nacht zuipend doorgebracht, waarbij Orsborne hem vertelde van zijn droom een zeiltocht rond de wereld te maken.
Volgens Orsbornes boek was hij bij St. Nazaire gewond geraakt en onmiddellijk terug naar een hospitaal vervoerd.
De raid op St. Nazaire vond plaats op 28 maart 1942.
Hazelhoff landde 12 maart 1942 bij Katwijk en zou daarna pas 11 mei een laatste –mislukte - landing bij Noordwijk uitvoeren.
(wordt vervolgd)


maandag 30 december 2024

Met de Soldaat op Campagne 1

 

Meer dan 10.000 uitvoeringen van de musical, een succesvolle film en  een bestseller: ‘Soldaat van Oranje’ Erik Hazelhoff  Roelfzema (1917-2007) had niet te klagen over gebrek aan succes met zijn wederwaardigheden in de oorlog.
Geen wonder dat de producent een vervolgfilm wilde maken over zijn verdere avonturen na de oorlog, zoals hij die in verschillende werken boekstaafde.
Maar na het lezen van het script verzette Hazelhoff zich heftig tegen de productie die volgens hem  niets met de werkelijkheid te maken had.
Gelukkig voor hem had hij wel het geld opgestreken, maar ging de productie niet door wegens financieel gekrakeel, want anders had wellicht iemand gemerkt dat zijn boeken ook niets met de werkelijkheid te maken hadden. Dit is inmiddels enigszins bijgesteld door veranderingen in de tekst van de musical en een nieuwe musical waarin zijn rol aan de orde komt bij de mislukte poging tot een  staatsgreep in 1947.

Wat wel doorging was een documentaire, over zijn meest opzienbarende na-oorlogse avontuur, het te hulp snellen van de op 25 april 1950 op Ambon uitgeroepen Republiek der Zuid Molukken (Republik Maluku Selatan, RMS), waartoe hij een schip kocht om, met wapens volgeladen, van Amerika naar Ambon te varen en hij in zijn eentje met een eenmotorig watervliegtuigje vanuit Manilla de Indonesische blokkade doorbrak,  om bij het ruige Molukse eiland Ceram te landen om informatie te verzamelen voor de Verenigde Naties.
Over deze documentaire, ‘Soldaat voor Ambon’, schreef de maker, Carel Erasmus,  in 2010 een boek over de totstandkoming: De Soldaat
achterna.


De schrijver was een bewonderaar van Hazelhoff, wat wel blijkt uit de naam van zijn advocatenkantoor: ‘Advocaten van Oranje’, wat zijn kritische blik niet ten goede kwam.
 In het boek deed hij ‘onthullingen’ die de zelfgesponnen mythe van Hazelhoff nog meer vergrootten: in archieven en gesprekken met ooggetuigen wereldwijd bleek dat diens inspanningen nog uitgebreider waren dan hij  beschreven had: hij had contact gelegd met een wapensmokkelaar en een route opgezet via Nederlands Nieuw Guinea, om die wapens te leveren en te betalen met Molukse producten en ingezameld geld van de Molukse gemeenschap daar.
Individuele leden van de Militaire Inlichtingendienst op Nieuw Guinea werkten hier, tegen het regeringsbeleid, in het geheim  aan mee.

 Interessant aan het boek zijn niet alleen de archiefstukken die hij opduikt en de (hoogbejaarde) getuigen die elkaar na al die jaren nogal tegenspreken, maar vooral de archiefstukken die hij weglaat en tot een heel andere conclusie leiden dan die hij trekt. En al langer bekend waren.
Hij brengt verslag uit van zijn bezoeken aan het Nationaal Archief en citeert uit meerdere daar gevonden en tot dan geheime documenten en drukt een aantal van die documenten af.
Maar zichtbaar is dat die allemaal afkomstig zijn van de toenmalige website www.inghist.nl  waar hij aan het eind van zijn boek in de literatuurlijst wel naar verwijst “voor wie zelf onderzoek wil doen”.
Uit de daar destijds te vinden archiefstukken die hij weglaat blijkt dat de  veiligheidsdiensten al  vroeg op de hoogte waren dat Hazelhoff nooit in de Molukken was geland en rechtstreeks naar Nederlands Nieuw Guinea was gevlogen en daar, via de MID-medewerkers,  foto’s en documenten ontving van de RMS-voorman Lebelauw, die de blokkade doorbroken had. Lebelauw schreef zelf in 1951 een brochure hierover waarin hij een sneer plaatste over mensen die hierover lezingen hielden (wat Hazelhoff toen deed in Nederland) terwijl ze er niet bij geweest waren. 



De wapensmokkelaar in kwestie, Meijer F. Schwartz ( met wie hij in Manilla in contact was gekomen via de CIA-agent Allan Charak),  wiens watervliegtuigje hij had geleend voor zijn actie, had hij wijsgemaakt dat de Nederlandse overheid achter hem stond en die kwam dan ook naar Nieuw Guinea om zijn vliegtuig terug te halen en trapte een rel toen het gezonken bleek en het gouvernement weigerde het te vergoeden en te betalen voor  de wapens die hij zou leveren. 
Zijn chantagepoging  met het dreigement alles aan de Indonesiërs over te brieven  mislukte, daar die al door de Nederlanders  op de hoogte waren gebracht.
Ook de documenten hierover waren op die  archiefsite te vinden, evenals de marechaussee-verhoren van de inlichtingendienstmedewerkers die hand-en spandiensten hadden geleverd aan de RMS. Te vinden als het Rapport Miedema-Van Hulst in het Nationaal Archief.




Weekblad De Spiegel 23 juni 1951

Het gouvernement kwam er pas eind 1951 achter dat onder leiding van kapitein J.E. Harders, hoofd van de MID van Biak, tijdens de RMS een radioverbinding met Ambon bestond (codenaam ‘Kakatoea’).
En een radioverbinding met de PTT-zender op Ambon en Nederland via hun zender: de secretaris van de Stichting Door De Eeuwen Trouw (een groep Nederlanders die de RMS steunden), Philipsmedewerker De Vries, had in zijn achtertuin een reusachtige antenne staan.
Ook voorzagen ze  het RMS-leger van inlichtingen over de positie van Indonesische troepen en van strategisch advies.
Mede hierdoor wist de RMS de strijd om Ambon maanden vol te houden.
Daarnaast hadden  ze zelf munitie  ingezameld uit Nederlandse voorraden om met het RMS- schip Hoa Moa naar Ambon te vervoeren.
Dit alles was overigens al in 1985 gepubliceerd door Richard Chauvel in Nationalists, soldiers and seperatists. Evenals de activiteiten van de Molukse gemeenschap in Nieuw Guinea die hiervoor geld en juwelen inzamelde, in De onmisbare schakel van P. de Cock, ook in 1985.
Nederlandse kranten als Het Parool hadden  al in 1951 bericht dat hij nooit naar de Molukken was gevlogen, citerend uit zijn eigen geheime rapport dat hij voor de CIA had geschreven.
Hazelhoff en zij hadden verkeerd gekozen: er was verdeeldheid ontstaan binnen de Molukse gemeenschap en de (volgens de latere RMS-president in ballingschap ir. J. A. Manusama corrupte)  RMS-officier Nanlohy, leider van een afvallige factie, beweerde met het RMS-schip de Hoa Moa, niet door de blokkade te komen met de wapens en  was een lucratiever handel met zijn lading copra begonnen binnen de eilanden noordelijk van Nieuw Guinea. 

 De munitie werd in zee gedumpt  na de verovering van Ambon eind november door het Indonesische leger  (nog voor Hazelhoff zijn vliegtocht begon) waarmee ook de radioverbinding was verbroken met de  RMS-regering,  die zich had teruggetrokken op het grote hoofdeiland Ceram en daar een guerilla begon.
Hazelhoff (die in zijn boeken over die gebeurtenissen op Ambon zwijgt) had zonder zenderverbinding nooit een afspraak kunnen maken op Ambon, of, zoals hij daarna aangepast beweerde, de Noord-Westpunt van  Ceram. De  enige kampong in het gebied waar hij beweerde geland te zijn was  Kawal, NW van Piru (dat in Indonesische handen was) verschanst achter een rivier: er was geen sprake van dat in één nacht koeriers van daaruit in nabij gelegen kampongs foto’s en documenten ophaalden in dat  gebied, zoals hij beweerde: er waren geen andere kampongs.
En hoe zouden die aan die documenten gekomen moeten zijn in dat afgelegen gebied?





Hazelhoff bleef in al zijn boeken vasthouden aan die versie, al was die al in 1951 weerlegd.



Foto van de kampong waar hij geland zou zijn.
Maar één keer als zodanig gepubliceerd: in De Spiegel van 21 juni 1951. 
Volgens zijn werken naderde hij, laag over zee scherend, bij het vallen van de nacht. De foto is duidelijk hoger genomen.
In de Nieuwe Revu(nr. 4, 1971)verscheen dezelfde foto, nu als het atol Boo.
Boo is geen atol, maar een eilandengroep en het eiland op de foto is duidelijk geen hoefijzervormig atol, zoals door hem beschreven.



De opzienbarende vliegtocht in een klein vliegtuigje van de Filippijnen naar Ambon was de hoofdmoot van de documentaire en het bijbehorende boek,  de gebeurtenissen rond het schip met wapens uit Amerika werd kort aangestipt, terwijl de documentairemaker toch verschillende bemanningsleden of kinderen van bemanningsleden had opgespoord en gesproken. En dus moest weten dat hier wel wat meer aan de hand was dan wat Hazelhoff vertelde in zijn boeken.
Het ging om een groot opgezette zwendel die een kapitaal opleverde.
(Wordt vervolgd)















 

woensdag 30 november 2022

                                                 Dat zou wel tijd worden na bijna tien jaar




donderdag 16 mei 2013

Schoftenstreek



16 mei 2013

Mag je Facebook gebruiken om iemand aan de kaak te stellen? Dat kan tot volksgerichten leiden zoals bleek bij de vondst van een dode hond in een sporttas waarna woedende omwonenden zich om het huis van de dader verzamelden toen zijn naam en adres in internetmedia verscheen.
Dat ik het hier toch doe heeft niet die bedoeling, maar ik zie iemand voor mijn ogen kapotgaan terwijl de dader straffeloos wegkomt.
De tweedehandsboekhandelaar Hans Dijkstra heeft een goede vriendin van me, nota bene de moeder van zijn kind, als katvanger gebruikt en met een schuldenlast van 5000 euro opgezadeld.
Zij is 60 jaar, lijdt aan zware migraine, heeft reuma en een kunstheup en is nu gedwongen zich kapot te werken (en dit is letterlijk bedoeld) met een baan overdag, een poetsbaan 's avonds en poetsbanen in de weekeinden om dit op te brengen, naast de schulden die ze zelf had en al afbetaalde. Op al haar inkomsten wordt beslag gelegd en juridische middelen zijn er niet.
Hierboven vind je zijn schuldbekentenis (een uit de rij).
Die tekende hij bereidwillig om daarna de bijbehorende documenten zo lang in zijn bezit te houden tot de termijn (6 weken) verstreken was waarbinnen bezwaar kon worden gemaakt, zodat een afwijzing volgde.
Dat zijn adres eronder staat is niet bedoeld om een volksgericht te ontketenen, want hij woont daar niet meer.
In deze schuldbekentenis zegt hij de volledige verantwoordelijkheid te willen nemen.
Hij heeft geen enkele poging gedaan.
Zijn bewering dat hij een afbetalingregeling met één deurwaarder had getroffen (700 euro, in elk geval iets) bleek gelogen: op haar verjaardag(!) kreeg ze een brief van de betreffende deurwaarder dat hij niets betaald had en al maanden niet gereageerd had op brieven en zij derhalve weer voor het volledige bedrag verantwoordelijk was.
Ik moet machteloos aanzien hoe iemand die dacht iemand te helpen te gronde gaat.
Ze heeft dit niet verdiend.
Altijd stond ze klaar voor anderen en hád zich al kapotgewerkt als vrijwilligster voor allerhande goededoelenclubs. Het gaat mij dan ook niet om het verachtelijke sujet Hans Dijkstra, maar om hoe ik op een of ander wijze haar kan helpen.
Alles wat ik kan doen is vragen of er mensen zijn die bereid zijn een bijdrage, hoe klein ook, te storten op haar girorekening,( 6555003 t.n.v. A. Jansen Nijmegen). Ik hoop dat dit gedeeld wordt en heb de datum erboven gezet om te voorkomen dat het zo'n bericht wordt dat na jaren nog ergens opduikt.
Jaap van den Born
Vogelkersstraat 38
6523KK Nijmegen

woensdag 1 mei 2013

Deductie ofte Declaratie

 
 
Maar  weer eens de Deductie uit de kast gepakt, staan toch wel behartenswaardige dingen in.
De Acte van seclusie, wie weet nog wat dat was? 1654 en dan zulke verstandige taal.
 
 
 
 
.